woensdag 17 februari 2010

Het staat op de stoep en het rookt

Het is Aswoensdag en ik heb net mijn laatste sigaar opgestoken. Eigenlijk stond de laatste voor Vette Dinsdag [Mardi Gras] gepland, maar zoals dat gaat met planningen, het loopt altijd anders. Deze keer gooide een onvoorzien bezoek aan een zwembad roet in het eten. Mijn kleinzoon zwom zaterdag af en dat bleek een dagvullend programma op te leveren, waarin voor het roken van twee sigaren geen plaats was. Pas om halfelf 's avonds kon er bij een late Schotse espresso nog net een gerookt worden, terwijl er voor die dag twee gescheduled waren. Er bleef er zodoende één over, die in het strakke eindschema nergens meer in te passen was.
Nu breekt een periode aan van onverbiddelijke rookloosheid, die afhankelijk van onbeheersbare factoren enkele dagen tot levenslang kan duren. Voorlopig mik ik traditiegetrouw op eerstepaasdag.

Voorheen had stoppen met roken steevast drie onaangename gevolgen: de stoelgang raakte volledig van slag, ik kreeg in de week erna een zware verkoudheid, zelfs holteontstekingen en ik had nog maar een paar uur slaap nodig en lag de rest van de nacht klaarwakker. Vandaar dat ik geneigd ben te geloven dat roken, van sigaren althans, in mijn geval het welzijn en zelfs de gezondheid bevordert, een standpunt dat in de loop der jaren minder bijval kreeg dan het verdiende.
Wat wél waar is, is dat je smaak en reuk erop vooruitgaan, als je niet meer rookt. Met die betere smaak valt te leven, maar meer ruiken is niet altijd een onverdeeld genoegen, zeker niet voor een stadsbewoner.
Als ik 's morgens voor het Concertgebouw op de tramhalte in de Van Baerlestraat stond, kreeg ik door de uitlaatgassen altijd prikkelingen in mijn neus en niesbuien. Die gingen pas over, als ik eenmaal met een bekertje automatenkoffie achter mijn bureau de eerste sigaar opstak. Dat zet je toch aan het denken.